Tagarchief: kerk

Kraagsteentje in de Centrumkerk

De huidige Centrumkerk of St. Suitbertuskerk in Geldermalsen is gebouwd in de 15de eeuw, als vervanger van een kleinere tufstenen kapel uit de 12de eeuw, waartegen aan de westzijde omstreeks 1250 een toren was gebouwd. Het koor van de oude kerk kwam waarschijnlijk niet verder dan de triomfboog van de huidige kerk.

20. CentrumkerkVoor deze triomfboog staat een doopvont van hardsteen, ‘Namens graniet’ uit omstreeks 1460. De doopvont was nog maar een goede honderd jaar oud toen de reformatie Geldermalsen bereikte. Of hier een Beeldenstorm heeft huisgehouden weet niemand, wel dat alles anders moest. Voor de reformatie stond de pastoor in het koor en stond of zat de gemeente met het gezicht naar het oosten. Vanaf de reformatie kerkte men met het gezicht naar het westen. Tegen de oostmuur van de toren kwam een preekstoel of kansel. Het ‘pontificale’ doopvont werd gedegradeerd tot voetstuk voor de brenger van het woord Gods.
Achter het koorhek bevindt zich een witmarmeren zerk. In 1684 lieten Jacob van Borssele van der Hooge, Heer van Geldermalsen, en Maria van Varick, dit grafteken maken, De restanten van de fundering van het Huis van Geldermalsen, waar zij woonden, liggen nog in het Zwarte Kamp, in de stationsbuurt. Van Borssele overleed op 19 augustus 1685, zijn vrouw in 1707. De overblijfselen van dit echtpaar zijn in 1791 overgebracht naar Parijs.

lamgods

In de kerk zijn in de zijbeuk, het schip en het koor zogenaamde kraagsteentjes aangebracht. Een kraagsteen is in een muur of kolom bevestigd en steekt daar uit. Het wordt gebruikt om een bovenliggend element van het bouwwerk te dragen: een boog, balk, kroonlijst of balkon. De kraagsteentjes geven voorstellingen uit de bijbel weer of hebben in onderling verband een symbolische betekenis.

Dit artikel is eerder verschenen in Nieuwsblad Geldermalsen.

De kerk in Deil

De kerk in Deil is rond de twaalfde eeuw gesticht en de tufstenen toren dateert voor een belangrijk deel nog uit die tijd. Het oorspronkelijke kerkgebouw werd in Romaanse stijl gebouwd. Enkele eeuwen later, om en nabij 1640, is er een kerk ontstaan met meer de vorm van een basiliek. In het jaar 1843 is de huidige kerkzaal voltooid op de fundamenten van de vorige kerk. Het 15 meter lange koor aan de oostzijde kwam toen niet meer terug en de kerkvloer werd enkele meters opgehoogd om bij hoogwater als schuilplaats te kunnen dienen.
In de tijd van ridder Willem van Tuijl tot Bulckesteijn (rond 1500) was de katholieke eredienst nog in gebruik. Pas aan het begin van de reformatie is er met moeite afstand genomen van deze traditie.
De kerk is gewijd aan de Aartsengel Michael. Naast het hoofdaltaar waren er nog drie altaren. Die van de Lieve Vrouw, de Heilige Catharina en Sint Jan. Pas in 1615 hield predikant Ermertus Marsmanus sterk vast aan de reformatorische beginselen. In periode daarvoor is niet duidelijk welke belijdenis in de kerk in Deil werd aangehangen. De mededelingen aan de classis van de kerk uit het jaar 1596 vermeldt dat in de streek nog vele pastoors de leer van de Roomse kerk, inclusief mis, doopbediening en biecht in de praktijk brachten.

Deil_Kerk
Foto: P.J.Laurens, Wikipedia

De Deilse geschiedschrijver, dr. Rudolf Römer, en tevens predikant in Deil en Enspijk, vermeldt in de Gelderse Almanak van 1853 dat zij gehecht waren aan altaren, wijwater en beelden. Ook leefden de voorgangers vaak in concubinaat. Of dat in Deil het geval was, is niet bekend, maar in 1597 werden al gelden beschikbaar gesteld voor het pastoriehuis. Wie de eerste prediker is geweest, is ook niet helemaal zeker. Wel staat Ermertus Mersmanus als eerste vermeld op het predikantbord van Deil en Enspijk. Letterlijk valt te lezen dat Mersmanus ”op syn prive autoriteyt gecontracteert heeft om Enspieck nu en dan mede waer te neemen”.
Daarmee was het katholieke geloof sindsdien niet helemaal verdwenen. In een klassikale vergadering op 3 juli 1636 werd gemeld dat op Bulckesteijn en het Huis te Enspieck “soo notore afgoderij gepleegt wort”. Dat aan zulke zaken in Deil en Enspijk niet zo zwaar getild werd, mag blijken uit het sussende antwoord van de ambtman “dat het geïncrimineerde uit niet anders, dan Beenige oude reliquïen van muyren” bestond.
Wel zijn in die tijd al uiterlijke versieringen van het Katholieke geloof verwijderd en vervangen door borden en wapens van de plaatselijke heren en adel. Ook de harnassen hadden een plaats gevonden in de Deilse Kerk, zodat de sfeer geschapen was voor de verbeelding van exotische verhalen en voorstellingen.

Dit artikel is eerder verschenen op de website van Nieuwsblad Geldermalsen op 7 augustus 2016.

Fresco in Enspijk

De fresco van de Madonna met Kind – die op de zuidwand van het koor enigszins verscholen te bewonderen valt – staat tijdens Open Monumentendag centraal in de kerk van Enspijk. Deze muurschildering dateert uit de eerste helft van de vijftiende eeuw.
Maria, de moeder van Jezus, is de patroonheilige van deze kerk.
Het kerkgebouw heeft van oorsprong een vaste band met Landgoed Marïenwaerdt. Baron Otto van Verschuer van het landgoed Mariënwaerdt is twee jaar geleden vanuit deze kerk naar zijn laatste rustplaats gebracht.

Foto’s: Ab Donker

Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat er in Enspijk al rond het begin van de jaartelling bewoning was. Er zijn resten gevonden uit de late ijzertijd en uit de vroeg-Romeinse tijd. Voor zover bekend dateren de eerste mededelingen over Enspijkse kerk uit 1129. In dat jaar stichtte gravin Alveradis de Premonstratenzer abdij Mariënweerd, waarbij zij het klooster goederen schonk onder andere uit Enspijk. Vervolgens wordt in 1456 ene Henricus van Mirle, conventuaal van Mariënweerd, als pastoor van “Eynspyck” genoemd.
Na de Reformatie, in de tweede helft van de 16e eeuw, behoorden de kerk van Enspijk en die van Deil tot één kerkelijke gemeente. Volgens een lijst van namen van predikanten in het kerkarchief komt de eerste predikant in Enspijk in 1625. In het verslag uit 1796 staat dat in dat jaar de klok uit de toren viel en deze opnieuw gegoten moest worden. Deze klok hangt er nu nog en draagt het randschrift in Romeinse letters: “Henricus Petit anno 1796”.
Gedurende de Franse periode was in 1807 een wet uitgevaardigd die inhield dat het niet langer was toegestaan om in de kerk te begraven. In 1822 krijgt het oude kerkhof een opknapbeurt door het verven van het hek en graven van een sloot. In 1842 werden de muren rondom dit kerkhof gezet. Het baar- of knekelhuisje is echter pas in 1873 gebouwd. Aan de noordkant bevindt zich een gewelfde grafkelder. Deze is afgesloten. Maar bij het leggen van de nieuwe tegelvloer is de plaats van de kelder herkenbaar gebleven in het patroon van deze vloer.

In 1918 is de granieten vloer onder de preekstoel vervaardigd. Voor die tijd bestond de kerkvloer voor het grootste deel uit al dan niet geschilderde houten vloerdelen en betegeling. In 1925 kreeg het gebouw elektriciteit en werden de kaarsen vervangen door lampen. in 1974 ontstond grote schade na blikseminslag, een aanleiding om in 1978 een complete renovatie te starten. In 2009 heeft de gemeente Geldermalsen de toren onder handen genomen.

Kijk hier voor meer informatie over de geschiedenis van deze kerk.

Dit artikel is eerder verschenen op de website van Nieuwsblad Geldermalsen op 5 augustus 2016.

Breed en stomp – rank en spits, kerken in Beesd

 

Het landschap is vaak zo open dat je aan de kerktorens kunt zien dat er weer een dorp in aantocht is. Een journalist die in 1884 een wandeling maakte van Geldermalsen naar Leerdam, schrijft in zijn verslag (binnenkort op deze site te lezen), heeft het over een fraai vergezicht over de Linge richting Beesd, met “de beide kerktorens, de eene breed en stomp, de ander rank en spits.” De brede stompe toren is van de St. Pieterskerk of Petruskerk in Beesd; een Nederlands-hervormde kerk met inderdaad een opvallende toren. Deze toren is in verschillende perioden gebouwd. De onderbouw van de toren dateert van omstreeks 1500, de tweede geleding is waarschijnlijk uit het midden van de zestiende eeuw. Er is een start gemaakt voor een derde geleding met een achtkantige aanzet (de lantaarn), maar de toren bleef uiteindelijk onvoltooid.

Beesd_2torens_IMG_5652.JPG
De twee kerktorens van Beesd, gezien vanaf de andere zijde van de Linge. Foto: Arthur Eerelman-Hanselman, 2012.

De toren werd als vluchtplaats gebruikt wanneer de rivier de Linge buiten haar oevers trad. In de negentiende eeuw, toen de Betuwe om de haverklap werd getroffen door overstromingen, werd hiervoor in de kerk een speciale ‘waterzolder’ aangelegd.

Het kerkgebouw kwam omstreeks 1825 tot stand door ingrijpende verbouwingen van een middeleeuwse kerk. In de muren zijn restanten van de oude kerk opgenomen. Bij opgravingen tijdens de restauratie in 2000 werd duidelijk dat er al in de twaalfde eeuw een kleine kerk op deze plek heeft gestaan. De kerk is nu in gebruik bij de Protestantse Gemeente Beesd. Zowel de toren als de kerk hebben de status van rijksmonument.

Deze tekst van de hand van Martine Eerelman-Hanselman en Arthur Eerelman-Hanselman verscheen eerder in de Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe. Een wandeling van Geldermalsen naar Leerdam. 1884-2012, jaargang 40, jubileumnummer 2012.

 

Enspijk in het Rijksmuseum

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een schitterende collectie. In de collectie staat de Nederlandse kunst en geschiedenis centraal en werken van een aantal van de grootste kunstenaars van de wereld zijn er te zien. Maar ook werken over of uit de dorpen in de gemeente Geldermalsen zijn er te vinden! In een serie van een aantal artikelen gaan we op zoek naar hetgeen er is te vinden per dorp (helaas was er voor Buurmalsen, Meteren en Rhenoy niets te vinden). In dit artikel staat Enspijk centraal.

Vier prenten geven Enspijk in de achttiende eeuw weer, drie met de kerk als voornaamste onderwerp en één met het kasteel te Enspijk.

De oudste prent, een tekening in pen en penseel, dateert uit 1728-1732 en is van de hand van Cornelis Pronk (1691-1759) en toont het kasteel of huis van Enspijk.

RP-T-1888-A-1683_Het kasteel te Enspijk, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728 - 1732.jpg
Het kasteel te Enspijk, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728 – 1732

Het tweede werk, een ets van Philippus van der Schley (1724-1817) naar een tekening van Jan de Beijer, toont Enspijk met rechts de kerk en op de voorgrond vrouwen die de was in de zon drogen. Datering valt ergens tussen 1734 en 1817.

RP-P-1904-4033_Gezicht op Enspijk, Philippus van der Schley, 1734 - 1817.jpg
Gezicht op Enspijk, Philippus van der Schley, 1734 – 1817

Klik hier voor meer informatie.

De volgende ets (datering 1762-1822) van Hermanus Petrus Schouten (1747-1822) is wederom een zicht op Enspijk met rechts de kerk en links een aantal boerderijen en een opvallende hooiberg.

RP-P-OB-59.070_Gezicht op Enspijk, Hermanus Petrus Schouten, 1762 - 1822.jpg
Gezicht op Enspijk, Hermanus Petrus Schouten, 1762 – 1822

Klik hier voor meer informatie.

De laatste prent, tekening in bruin met pen en penseel, is gemaakt door Pieter Jan van Liender (1747-1779). Deze tekening toont vrijwel hetzelfde beeld als bovenstaande ets. De positie in het veld is exact hetzelfde en dezelfde gebouwen worden getoond. Voornaamste verschil is de invulling met personen en het koetsje.

RP-T-1921-298_Enspijk bij Leerdam, Pieter Jan van Liender, 1763.jpg
Enspijk bij Leerdam, Pieter Jan van Liender, 1763

Klik hier voor meer informatie.

Zie ook:

Beesd in het Rijksmuseum

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een schitterende collectie. In de collectie staat de Nederlandse kunst en geschiedenis centraal en werken van een aantal van de grootste kunstenaars van de wereld zijn er te zien. Maar ook werken over of uit de dorpen in de gemeente Geldermalsen zijn er te vinden! In een serie van een aantal artikelen gaan we op zoek naar hetgeen er is te vinden per dorp (helaas was er voor Buurmalsen, Meteren en Rhenoy niets te vinden). In dit artikel staat Beesd centraal.

Op het eerste gezicht lijkt Beesd goed vertegenwoordigd in het Rijksmuseum, maar van de twaalf etsen, blijkt een groot deel dubbel aanwezig, waardoor er drie unieke werken overblijven.

De eerste ets, van Willem Gruyter (Jr.) (1817-1880) naar een tekening van Mari ten Kate (1831-1910),  is maar liefst in tienvoud aanwezig. Het is een ets in aquatint, roulette en met droge naald van de overstroming bij Beesd in 1855. Op de achtergrond zijn de ondergelopen boerderijen en de kerktoren van Beesd zichtbaar.

De Nederlands-Hervormde St. Pieterskerk of Petruskerk heeft een opvallende onvoltooide toren. De onderbouw van de toren dateert van omstreeks 1500, de tweede geleding is waarschijnlijk vijftig jaar later gebouwd. De toren werd als vluchtplaats gebruikt wanneer de rivier de Linge buiten haar oevers trad. Dertig jaar voor deze ets werd gemaakt was het kerkgebouw gereed gekomen (1825). Deze verving de middeleeuwse hallenkerk.

Het kerkgebouw kwam omstreeks 1825 tot stand door ingrijpende verbouwingen van een middeleeuwse hallenkerk.

De kerk is in gebruik bij de Protestantse Gemeente Beesd. Zowel de toren als de kerk hebben de status van rijksmonument.

RP-P-OB-55.853_Overstroming bij Beesd, 1855, Willem Gruyter (Jr.), Mari ten Kate, 1832 - 1880.jpg
Overstroming bij Beesd, 1855, Willem Gruyter (Jr.), Mari ten Kate, 1832 – 1880

Klik hier voor meer informatie.

De volgende twee werken uit de periode 1727 – 1733 van de hand van Abraham Rademaker (1676/’77 – Haarlem, 21 januari 1735) betreffen het Huis Wolfswaard, ook bekend als Lage of Huys op den Wyel. Dit kasteel in Beesd werd aan het begin van de negentiende eeuw afgebroken. Arnt Pieck werd bij de bouw in 1442 met het huis op den Weyl beleend. Het huis bleef tot 1730 in de familie, waarna het overging op de familie Van Eck.

RP-P-OB-73.619_Gezicht op Huis Wolfswaard, Abraham Rademaker, Willem Barents, Antoni Schoonenburg, 1727 - 1733.jpg
Gezicht op Huis Wolfswaard, Abraham Rademaker, Willem Barents, Antoni Schoonenburg, 1727 – 1733
RP-P-OB-73.618_Huis Wolfswaard, Abraham Rademaker, Willem Barents, Antoni Schoonenburg, 1727 - 1733.jpg
Huis Wofswaard, Abraham Rademaker, Willem Barents, Antoni Schoonenburg, 1727-1733

Klik hier voor meer informatie en hier.

Bronnen, anders dan www.rijksmuseum.nl:

Zie ook:

Rumpt in het Rijksmuseum

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een schitterende collectie. In de collectie staat de Nederlandse kunst en geschiedenis centraal en werken van een aantal van de grootste kunstenaars van de wereld zijn er te zien. Maar ook werken over of uit de dorpen in de gemeente Geldermalsen zijn er te vinden! In een serie van een aantal artikelen gaan we op zoek naar hetgeen er is te vinden per dorp (helaas was er voor Buurmalsen, Meteren en Rhenoy niets te vinden). In dit artikel staat Rumpt centraal.

Drie prenten van de hand van Cornelis Pronk (1691-1759) zijn te vinden als er gezocht wordt op Rumpt.

De eerste is een tekening, in bruin met potlood en inkt en toont het huis Lagenpoel te Rumpt en is gedateerd tussen 1701 en 1759. De andere twee tekeningen zijn uit 1728, wellicht is deze tekening ook op dat jaar vast te leggen.

RP-T-1888-A-1704_De kerk te Rumpt, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728.jpg
Het huis Lagenpoel te Rumpt, Cornelis Pronk, 1701 – 1759

Klik hier voor meer informatie.

De tweede, een tekening in pen en penseel in grijs, toont een tweede ‘huis’ in Rumpt, of ‘Huijs te Runt’, zoals op de tekening staat te lezen. Deze tekening is gemaakt in 1728.

RP-T-1892-A-2491_Het Huis te Rumpt, Gelderland, Cornelis Pronk,1728.jpg
Het Huis te Rumpt, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728

Klik hier voor meer informatie.

Onderwerp van  de laatste prent van Cornelis Pronk is de kerk te Rumpt en is eveneens in 1728 gemaakt. Het betreft weer een tekening met pen en penseel in grijs.

RP-T-1892-A-2492_De kerk te Rumpt, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728.jpg.jpg
De kerk te Rumpt, Gelderland, Cornelis Pronk, 1728

Klik hier voor meer informatie.

Zie ook:

 

Brand in Gellicum, 1928

Door Arthur Eerelman-Hanselman

Het was een mooie lentedag, donderdag 3 mei 1928. Er woei weliswaar een stevige wind uit het oosten, maar de zon scheen, er viel geen druppel regen en het was tussen de 18 en 20 graden Celsius. De rust in het kleine dorp zou die middag op dramatische wijze worden verstoord toen een grote brand de Nederlands Hervormde Kerk en tien woningen in as legden. In een van de huizen was het hulppostkantoor gevestigd geweest en ook ‘het bondsgebouw van den Boerenbond met opslagplaats van graan en veevoeder’ werd volledig verwoest.

Brand in 1928

De Telegraaf beschreef de brand op haast poëtische wijze in een artikel op de voorpagina: ‘Gellicum, het 12 K.M. van Geldermalsen verwijderde Neder-betuwsche dorpje, dat zoo schilderachtig ligt aangetooverd tegen de snelvlietende en rusteloos voortkabbelende Linge, is gisteren voor één derde gedeelte verwoest door een brand, die met den besten wil niet te stuiten noch te keeren was.’

Afb1_Coll. Van Mook_Brand Gellicum
Foto uit De Prins van 12 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

Veel andere Nederlandse kranten namen een bericht van een correspondent over, waarin stond geschreven dat de brand rond half twee begon. Een aantal kranten noemden echter drie uur als starttijdstip; sommigen noemde beide tijdstippen in één artikel. De correspondent meldde verder dat de brand was begonnen in de woning van de heer G. de Waal, ‘den houder van het hulppostkantoor te Gellicum’. ‘Het vuur greep snel om zich heen en toen het eenmaal naar buiten uitsloeg, werd het door den fellen Oostenwind met kracht aangewakkerd.’ Al snel stond de volledige woning, ‘een boerenbehuizing’, met in het voorgedeelte het hulppostkantoor, ‘in lichterlaaie’.

De Telegraaf, die een eigen journalist naar het dorp stuurde en een uitgebreid artikel plaatste, noemde een andere oorzaak en plaats van aanvang van de brand. Hij schreef dat het onheil ontstond door broei in de naastgelegen schuur. Het lijkt echter niet aannemelijk dat dit daadwerkelijk de oorzaak van de brand was. Broei ontstaat doorgaans in hooi dat kort geleden is geoogst en nog vochtig is en de oogst van hooi vindt na mei plaats, vanaf midden juni.

Hoe dan ook, de schuur stond al snel volledig in brand. ‘Een paar wagens, die daar stonden, evenals een fiets en eenige kleine landbouwwerktuigen gaven gretig voedsel voedsel aan de wild om zich heen grijpende vlammen.’ ‘Een knaap’ beklom de kerktoren en luidde de klok om de mensen te waarschuwen. Hij blesseerde zich daarbij, doordat zijn been beklemd raakte tussen de muur en de klok.

De bewoners, grotendeels aan het werk op het land, spoedden zich naar het dorp en begonnen de brand te blussen. De burgemeester van Deil mr. Willem Marinus (Tim) Kolff (1882-1944) werd gewaarschuwd en hij riep – uit angst voor snelle uitbreiding van de brand – de hulp in van de omliggende gemeenten, Leerdam, Beesd, Rumpt, Rhenoy en Buren. De aanrijdtijden waren echter lang en ‘de wind hielp zijn roode makker zoo trouw, dat in weinige oogenblikken een tiental boerenwoningen’ en de kerk met de grond gelijk werden gemaakt’.

Het vuur sloeg als eerste over naar de naastgelegen woning van de heer Keizer. ‘Fel woedde het vuur en het scheen niet te stuiten.’ De Nederlands Hervormde Kerk, gelegen naast de woning van De Keizer, vatte eveneens vlam. Nu was het hek helemaal van de dam: ‘Met nog grooter snelheid breidde de brand zich uit, door het wegvliegen der vonken en brandende stukken riet van de daken.’ Het vuur sloeg verder om zich heen en nog enige woningen aan weerszijde van de kerk en vijf woningen aan de overzijde van de weg vielen ten prooi aan het vuur. Dit alles nog voordat de brandweer was gearriveerd.

Als eerste arriveerde de brandweer van Leerdam met drie motorspuiten en de brandweer van Beesd met één brandspuit. Tijdens het blussen stortte een gedeelte van de kerk ‘met donderend geraas in’, ‘ondanks alle pogingen om haar te behouden’. De brandweer kreeg de brand daarna redelijk snel onder controle: ‘Eerst tegen zes uur in den avond was het vuur bedwongen en gevaar voor uitbreiding geweken’. ‘De brandweer uit Geldermalsen en Buren behoefden niet meer handelend op te treden.’ Burgemeester Kolff was vol lof over de inzet van de brandweer: ‘Van motorspuitgast tot de lagere helpers, de ridders van de handspuit allen, hebben tot het uiterste hun best gedaan.’ Behalve de brandweerkorpsen en Kolff en de burgemeesters van omliggende gemeentes de gehele middag aanwezig in het dorp.

Gelukkig was er alleen sprake van materiële schade; ‘persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. Evenmin is er vee bij den brand omgekomen.’ Maar ‘de schade, die de enorme brand heeft veroorzaakt, is zeer groot.’ De Telegraaf meldde echter dat er ook enige schapen en kippen om het leven waren gekomen.

Afb2_Coll. Van Mook_Brand Gellicum
De verwoeste kerk en boerderij van De Keijzer op een foto die in een aantal kranten is terug te vinden, bijvoorbeeld in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 8 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

De verwoeste kerk en boerderij van De Keijzer op een foto die in een aantal kranten is terug te vinden, bijvoorbeeld in Nieuwe Tilburgsche Courant van 8 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

Zoals gezegd, waren de Nederlands Hervormde Kerk en de woning met hulppostkantoor van de heer De Waal en de woning van de heer De Keizer verwoest, maar ook ‘de huizen bewoond door de families Van Dijk, Struiken, De Waal, De Zeeuw, Van Dijk en het bondsgebouw van den Boerenbond met opslagplaats van graan en veevoeder ’ waren ten prooi gevallen aan het vuur. De inboedels waren vrijwel volledig verdwenen en ook de schuren en de daarin opgeslagen voorraden waren verloren gegaan. ‘Van de kerk en de tien afgebrande huizen zijn niet veel meer dan de ruïnen overgebleven.’ ‘De bewoners der afgebrande huizen zijn tijdelijk bij andere dorpsbewoners ondergebracht.’

De brand was groot nieuws en werd door kranten in het hele land beschreven. De Telegraaf beschreef de schade de volgende dag als volgt: ‘Het plaatsje, welke huizen gebouwd zijn aan beide kanten van den hoogen, maar uiterst smallen dijk, die de bewoners tegen den onstuimigen en wispelturigen aard van het kleine riviertje beschermt, ziet er momenteel uit als had het blootgestaan aan een ernstige bekogeling van schrapnells en brisantgranaten. Toen wij hedenmorgen bij het krieken van den dag den toestand in oogenschouw gingen nemen, hing over den omtrek een vale, grijze mist, die in hevigheid toenam, naarmate wij het tooneel van het onheil naderden.’

De ‘heerlijke omgeving met haar bloeiende vruchtboomen’ werden in een ‘verpestenden stank’ gehuld. De schade was haast niet te overzien, ‘eenige brokken muur met daartussen een warwinkel van geblakerde en verkoolde huishoudelijke artikelen, verbrijzelde pannen en kleedingstukken’, waren te vinden waar eerder de woning met postkantoor te vinden waren. De heer De Waal was in de ruïnes aan het zoeken naar geld; het eigen spaargeld en het geld dat ter plekke in beheer was geweest. Er werd enig succes geboekt, een verkoolde portefeuille met bankpapieren werd gevonden. De hoop was dat de nummers nog te lezen zouden zijn en dat de papieren nog enige waarde zouden hebben. Op de achtergrond weet een grote hond ondertussen een gerookt hammetje te vinden en verorberen.

De journalist van een persbureau wist te melden dat voor zover bekend alles was verzekerd. Burgemeester Kolff plaatste dat echter tegenover De Telegraaf in perspectief: ‘De meeste boeren zij zeer laag verzekerd, zoodat deze menschen gevoelig getroffen zijn. Voeg daarbij, dat de laatste jaren allesbehalve rooskleurig is geweest, dan kan, […] zonder overdrijving gezegd worden, dat het kleine Gellicum door een ramp is geteisterd.’

 

Brand in 1883

Een dergelijke grote brand in zo’n klein dorp is natuurlijk uitzonderlijk. Opmerkelijk genoeg was er ook al eerder, op maandag 23 mei 1883, een soortgelijke brand geweest en dan ook nog eens deels in dezelfde woningen. Vijf woningen werden toen volledig in as gelegd, waardoor zes gezinnen hun woning verloren. De inboedel van de huizen ging ook toen volledig verloren. In de Middelburgsche Courant van 24 mei 1883 stond te lezen: ‘Twee menschenlevens zijn te betreuren, een derde persoon kreeg zeer gevaarlijke brandwonden; men vreest voor zijn leven. In de vlammen kwamen nog om een kalf en een zeug met elf biggen.’ Over de oorzaak was niets bekend.

De kranten maakten ook in 1928 melding van het opvallende feit dat Gellicum eerder een soortgelijke brand had gekend: ‘Opmerkenswaardig is, dat in 1883 in dezelfde huizen een dergelijk zware brand gewoed heeft, waarbij drie menschenlevens te betreuren waren.’ Helaas was dus ook het zwaargewonde slachtoffer overleden als gevolg van de brand.

 

Bronnen, onder andere:

weerverleden.nl – KNMI
Middelburgsche Courant, 24 mei 1883
Algemeen Handelsblad, 4 mei 1928
Nieuwsblad van het Noorden, 4 mei 1928
De Telegraaf, 4 mei 1928
Limburgsch Dagblad, 5 mei 1928

Dit artikel verscheen ook in Nieuwsblad Geldermalsen,
dd. 30 januari 2016.

Over de auteur: Arthur Eerelman-Hanselman

Arthur, geboren op 5 oktober 1971 te Rotterdam, woont met zijn gezin in Geldermalsen. Na woonachtig te zijn geweest in Rotterdam, Utrecht, Capelle aan den IJssel en Gouda, woont hij nu met zijn gezin (vrouw, twee dochters en twee katten) naar volle tevredenheid in Geldermalsen.

Arthur studeerde geschiedenis (Internationale Betrekkingen – Oorlogs- en vredesproblematiek) aan de Universiteit van Utrecht. Hij werkte daarna voor Telecom Teleservices, Dienst Justiële Inrichtingen – ICTS, Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Erfgoed Brabant en nu voor Cit, een bedrijf gespecialiseerd in het (digitaal) beheren en presenteren van kunst- en erfgoed collectie(s).

Louis van Oort en Martine Eerelman-Hanselman en Arthur zijn gezamenlijk de initiatiefnemers van de website GeschiedenisGeldermalsen.nl.

Arthur is ook actief binnen de Historische Kring West-Betuwe en Comité 4 en 5 mei Geldermalsen.