Categorie archief: Gellicum

Noodlot sloeg regelmatig toe in laatste half jaar oorlog

Het zal je maar overkomen… Het kon een spelend kind zijn, een zojuist getrouwde man, iemand die een deur wilde opendoen of een inwonende bejaarde man. In het laatste halfjaar van de oorlog sloeg het noodlot regelmatig toe en dat had grote impact op de dorpsgemeenschappen Deil, Enspijk, Gellicum en Buurmalsen.

Richard van de Velde

Vleeswagen
grafsteen van Alleke Formijn en zijn broer. Overlijdensjaar van Alleke staat fout vermeld.Albert “Alleke” Formijn uit Deil was de jongste uit het gezin van Johannes Formijn en Francina van Velthoven. Het gezin woonde daar op de Hooiweg. In de namiddag van 24 oktober 1944 liep het gezin Formijn hun erf op, omdat ze een geallieerde jachtbommenwerper hoorde overkomen. Ze zagen nog juist dat het toestel boven Geldermalsen een duikvlucht maakte en een beschieting uitvoerde. Wat zij toen nog niet wisten, was dat uitgerekend Alleke hierdoor om het leven zou komen. Deze 14-jarige knul zat op de ulo en was na schooltijd met zijn vriendje bij de Willem de Zwijgerweg in Geldermalsen aan het spelen, in de buurt bij een wagen geladen met kisten vlees. Die werd door de geallieerde piloten aangezien als een militair doel en bestookt. Ze hadden de spelende kinderen niet opgemerkt. Alleke vond direct de dood en zijn vriendje Wim Boudewijn raakte gewond, maar overleefde wonderwel.
De oorlog liet diepe sporen na voor het gezin Formijn: in februari 1940 was hun, in Rotterdam voor de mobilisatie opgeroepen, oudste zoon Jan op 24-jarige leeftijd overleden ten gevolge van een bloedvergiftiging.

Voordeur
De in het najaar van 1944 omgekomen Kees van der Heijden kwam uit Enspijk. Zijn ouders waren landman Jan Hendrik van der Heijden en Johanna Willemina Bouman. Zij trouwden in 1905 en kregen samen elf kinderen.

voordeur fam van der heijden
Het bewuste woonhuis van de familie Van der Heijden, met aan de linkerzijde de voordeur. (Foto: W. Vermeulen)

Over de mysterieuze dood van Kees doen twee verschillende verhalen de ronde: “Op veel plaatsen in Nederland waren Duitse soldaten ingekwartierd. In Enspijk waren daarvoor huizen en boerderijen gevorderd. Een legerkok en zijn personeel waren bij boer Merkens ondergebracht. In zijn schuur werden elke dag aardappelen geschild en groente klaargemaakt voor het avondeten van de soldaten. Enkele meisjes uit het dorp assisteerden daarbij. De Duitse chef-kok had een oogje op een dochter van de familie Van der Heijden van de Kampsedijk. Toen de Duitsers een keer feest vierden in de plaatselijke school en de kok te veel gedronken had, kreeg hij het idee om dit meisje van Van der Heijden op te halen. De familie was al naar bed, maar door het gebonk op de deur ging Kees, de broer van het meisje, naar beneden. Hoe het precies is gegaan weet niemand, misschien kwam hij niet snel genoeg, wellicht heeft hij de deur niet open willen doen of heeft hij geweigerd zijn zus met de Duitser mee te laten gaan. Hoe het ook zij: de dronken Duitser schoot dwars door de deur en Kees raakte daarbij levensgevaarlijk gewond. Hij werd meteen naar een ziekenhuis in Utrecht gebracht en is daar de volgende dag op 29 oktober 1944 aan zijn verwondingen overleden.”
grafsteen Kees van der Heijden in EnspijkDe andere lezing is dat twee broers van Kees, Jan en Johan, vanwege de Arbeitseinsatz in een wapenfabriek in Duitsland werkten. Zij namen op een zeker moment daar de benen en kwamen naar Enspijk terug en doken onder in hun ouderlijk huis. Een politieagent kwam daarachter en stuurde op 28 oktober 1944 Duitse soldaten naar het huis aan de Kampsedijk om de knullen te arresteren. Met de bekende afloop.
De grafsteen van Kees kostte 25 gulden, een enorm bedrag in die tijd, en werd door de inwoners van Enspijk aangeboden aan de familie.

 

Melkkan

De ouders van Dirk Jan Fun uit Buurmalsen waren landbouwer Dirk Jan Fun en Anthonia Verbeek. Ze trouwden in 1911 te Buurmalsen en woonden daar op de Groeneweg 35. Ze kregen samen vier kinderen, waarvan Dirk Jan de tweede was.
Deze Dirk Jan jr. was nog maar acht dagen getrouwd met Maria Bouman uit Enspijk en had een huisje gekocht of geërfd aan de Rijksstraatweg in zijn geboortedorp. Het verhaal gaat dat hij op 11 januari 1945 ’s middags op zijn fiets met een stok en melkkan op zijn schouder door de sneeuw reed op de Groeneweg, ter hoogte van ‘Keizershof’ in Buurmalsen. Een Duitse soldaat merkte hem op en schoot uit verveling op de melkkan. Die kogel(s) ketste(n) af en raakte Dirk Jan in zijn hals, waardoor hij al snel doodbloedde.
Naar verluidt kreeg de soldaat zo’n wroeging over zijn daad, dat hij zichzelf nog diezelfde avond van het leven beroofde bij de kerk in Buurmalsen. Bewijzen daarover zijn (nog) niet gevonden in de archieven. Zijn weduwe is kort na het drama weer verhuisd naar haar geboorteplaats Enspijk. Maria wordt vreemd genoeg niet genoemd op de grafsteen van haar man.

Bethesda
Gevaar uit de lucht kwam niet alleen van de kant van de geallieerden. De Duitsers vuurden V1’s en V2’s af, die vooral gericht waren op Engeland en Antwerpen. In Nederland zag men ze vaak overkomen. Maar soms begon er één vreemde geluiden te maken. Dat was een teken dat hij weldra zou neerstorten, maar waar?
In de polder bij Gellicum (toenmalige gemeente Beesd), stond heel afgelegen in het veld in het hoekje van de Heulweg-Koorngraaf één arbeidershuisje met enkele schuren er omheen. Daar woonde Arie de Bruin en zijn vrouw Leentje. Zij hadden samen vijf kinderen. De 70-jarige Evert de Bruin, een ongehuwde oom van Arie, woonde bij hen in. ’s Avonds op 4 februari 1945 kwam zo’n “Vergeltungswaffe” in een sloot naast hun huis terecht. Leentje zat op dat moment aardappelen te schillen en werd ernstig gewond, evenals Evert. Hun kinderen Tonnie en Nico zaten onder de keukentafel te spelen en bleven ongedeerd.
Evert de Bruin (foto C. Bronk)De toen 26-jarige Wim van Asch uit Gellicum weet het zich nog goed te herinneren: ,,Ik was met mijn ouders op de terugweg van een feestje toen we de V1 hoorden overkomen en ergens inslaan. De hele polder rondom Gellicum stond onder water i.v.m. de inundatie, alleen de wegen waren nog zichtbaar, de rest was één grote watervlakte. Niet lang na de inslag kwam Arie de Bruin lopend uit het veld bij ons thuis om hulp vragen. Ik ben toen met de boerenkar daar naartoe gereden. Ondertussen hadden reddingswerkers de zwaargewonde vrouw en Evert onder het puin weggehaald. Ik nam ze mee op mijn boerenkar en reed naar het noodhospitaal Bethesda in Mariënwaerdt te Beesd. Net voor we daar aankwamen, is Evert op de kar aan zijn verwondingen bezweken.
In het ziekenhuis hielp ik dokter Hocke Hoogenboom nog om de glassplinters uit de borst van Leentje te halen. Hij gaf mij weinig hoop over haar levenskansen. ‘Wacht nog even en je kunt twee lijken mee terug naar Gellicum nemen’, zei hij nog. Leentje lag lang in kritieke toestand, maar herstelde wonderbaarlijk genoeg en keerde na enkele weken weer huiswaarts. Ze kreeg na de oorlog nog twee kinderen, maar is de rest van haar leven invalide gebleven.”

De namen van deze oorlogsslachtoffers staan vermeld op het oorlogsmonument in Enspijk. “Zolang je naam genoemd wordt, leef je voort.”

Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsblad Geldermalsen, op 28 april 2017.

Over de auteur:
Richard van de Velde uit Beusichem is naast leraar Nederlands verwoed amateurhistoricus. Hij heeft zich tot doel gesteld de geschiedenis van alle oorlogsslachtoffers in de West-Betuwe vast te leggen. Zo heeft hij de 134 namen onderzocht van oorlogsslachtoffers uit de huidige woonkernen van de gemeente Geldermalsen en vermeldt hij op zijn site oorlogsslachtofferswestbetuwe de droeve omstandigheden waaronder zij om het leven zijn gekomen. Wie nog over aanvullende informatie of foto’s beschikt, kan contact opnemen met Richard van de Velde via zijn website.

Roomboterfabriek te Gellicum (1896-1918)

Dit artikel, geschreven door Paul van Mook verscheen eerder in de Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe, nr.2, september 2016. De paragraaf Advertenties is later toegevoegd en hieronder te lezen.

Voorbereidingen

De eerste stap tot het oprichten van een roomboterfabriek was, na een uitvoerige vergadering vol discussie, het vormen van een bestuur. De leden kochten een perceeltje open grond aan de Nijsteeg – later Vlietskant genoemd – van 80 centiaren, waarop een schuur stond en eigendom was van Hermanus Rosenboom, die ernaast woonde. De aankoopprijs bedroeg 275 guldens. Voorts rustte er op het perceel erfdienstbaarheid van een pad naar de Vliet ter breedte van 1 meter. Ook werd er een put of bron gegraven om daaruit water te halen.

Tevoren hadden Jan Tucker en Gerrit van Iterson een bestaande zuivelfabriek in de omgeving bezocht om poolshoogte te nemen hoe een en ander werkte en op poten kon worden gezet. Op een bijeenkomst in februari 1896 in café ‘De Rosenboom’ werd verslag gedaan van hun bevindingen en niet lang daarna werd besloten tot de oprichting van een roomboterfabriek.

Naar de notaris

Op 18 maart 1896 werd in Gellicum per notariële acte, gepasseerd bij notaris C.J.H. van Kessel te Rumpt, een roomboterfabriek opgericht, genaamd Coöperatieve Roomboterfabriek ‘Gellicum’. De leden van deze onderneming luisterden naar de namen Johannes Cornelis Tucker, Gerardus van Iterson, Floris Johannes van Dijk Martinuszoon, Daniël van Baalen, Willem van Stappershoef Evertzoon, Cornelis van Dijk Floriszoon, Floris van Dijk Hendrikzoon, Hendrik van Dijk Floriszoon, Adrianus Gerardus Versteegh, Dominicus Wilhelmus Tucker, Quirinus Arnoldus Johannes van Roden, Gerrit van Dijk, allen landbouwers wonende te Gellicum, Lambertus Wilhelmus van Beest en Willem Otto van Wijk, landbouwers te Rumpt. Het doel van de vereniging was het bereiden van roomboter en de verkoop daarvan.

De melk die daar voor nodig was, werd geleverd door de leden, die elk twee tot vier koeien hadden aangemeld. Dagelijks werden de koeien twee keer gemolken. De melk werd in emmers of bussen naar de fabriek gebracht aan de Vlietskant.

Elk lid verbond zich om minstens 1500 liter melk per koe per jaar te leveren in de periode april tot half september, uitgezonderd de melk die nodig was voor eigen gebruik in het gezin. Van oktober tot half maart moest er 900 liter per koe worden geleverd, omdat in die periode de koeien op stal stonden, minder melk gaven en doorgaans moesten kalven. Boeren die geen lid waren konden zich alsnog opgeven en dan met schriftelijke toestemming van het bestuur eveneens melk leveren aan de fabriek.

afb01
Advertentie uit “De Geldermalser’ d.d. 22 april 1896.

Verkoop boter

De verkregen boter en karnemelk werd verkocht, zowel binnen als buiten het dorp. De markt te Leerdam werd een geliefde afzetplaats van de kuipjes en tonnetjes roomboter. De ondermelk (ontroomde melk, taptemelk) en de karnemelk die niet werd verkocht, werd door de leden teruggenomen en gebruikt als voer voor onder andere de varkens. De zuivere opbrengst van de melk werd verdeeld onder de leden, na aftrek van alle kosten. Uiteraard werd er een uitgebreide administratie bijgehouden van het aantal geleverde liters melk, waarbij het vetgehalte van de melk meewoog bij het bepalen van de prijs. Het vetgehalte van een melkleverancier bedroeg tussen de 2,09 en 4,75 %. Het gemiddelde gehalte lag op ongeveer 3,75%. De oorzaak van dit verschil moest worden gezocht in de soort/het ras der melkkoeien. Ook het voeder speelde een rol, maar die was van minder betekenis. Voor het maken van 1 kg boter was gemiddeld 26 kg melk nodig.

afb02

Ziekte

Als de koeien waren besmet met de gevreesde ziekte mond- en klauwzeer mocht er beslist geen melk worden geleverd aan de fabriek. De meeste koeien overleefden deze ziekte door strenge maatregelen van ontsmetting te nemen. Ook werd er dan secuur gecontroleerd door een deskundige of de ziekte voorbij was. Zelfs de burgemeester bemoeide zich daarmee door zich op de hoogte te laten stellen van het verloop van de ziekte en het herstel van het vee. Mocht er toch een koe doodgaan, dan moest die onder toezicht van een door de gezondheidsinspectie aangestelde controleur worden begraven op het erf van de boer. Vervoer van de koe naar elders was streng verboden wegens besmettingsgevaar.

Staatscourant

Er werd door de bestuursleden van Gellicum een geldlening aangegaan voor de aankoop van een terrein, de bouw van de fabriek en het aanschaffen van de machines, werktuigen en gereedschappen. De plaatselijke aannemer Leonardus Struijcken zorgde voor de bouw van het fabriekje van circa 6 bij 6 meter, nadat een aanwezige schuur was gesloopt. Twee procent van alle inkomsten werd gebruikt om de lening af te lossen.

In de Nederlandsche Staatscourant van 19 april 1896 werd vermeld dat er in Gellicum een roomboterfabriek was opgericht. Gellicum was niet het enige dorp waar dat gebeurde. In dezelfde tijd werd er te Rhenoy ook eentje opgericht met de naam ‘Roomboterfabriek Rhenoy en Acquoy’, die tot 1914 zou bestaan. Ook in o.a. Beesd, Maurik, Buren en Leerdam werd een zuivelfabriek gevestigd. De fabriek in Buren heette “Oranje” en startte begin oktober 1895.

Personeel

Om de roomboterfabriek in werking te houden was er personeel nodig om de machines te bedienen. Dorus de Waal, *1880, werd de eerste botermaker. Na 8 jaar hield hij het voor gezien en verhuisde in mei 1904 naar Zeist en vervolgens naar Nijmegen. Zijn opvolger werd Wout van Lith, *1870. Hij volgde elders een cursus om zich te bekwamen in het maken van boter. Gedurende de periode 1904-1918 bleef hij werkzaam in de boterfabriek. De personeelsleden wogen de aangevoerde melk, bepaalden het vetgehalte en verpakten de roomboter in kuipjes of tonnetjes, die voor de koeling werden bewaard in de kelder onder het gebouw. Op de lage zolder werd allerlei materiaal bewaard, dat nodig was bij de bereiding van boter.

afb03

Bij grote drukte of in noodgevallen hadden ze hulp van een melkknecht. Theodorus van den Heuvel was zo’n knecht. Hij werd geboren in 1881, maar zijn vader, die getrouwd was met Anna van Gemert, overleed vroeg. Theodorus kon goed leren. Hij wilde vooruit komen in de wereld en werd botermaker door te gaan werken op de roomboterfabriek in Gellicum en daarna in Rhenoy, omdat hij daar wat meer geld kon verdienen. Door avondstudie ontwikkelde hij zich verder en solliciteerde naar een betrekking op een boterfabriek te Deventer. Hij werd aangenomen en verhuisde naar deze stad.

Als er weinig melk werd geleverd werd er halve dagen gewerkt. Jacobus Buysing, hoofd der R.K. school, verzorgde en beheerde de administratie van de roomboterfabriek. Tijdens de jaarvergadering bracht hij verslag uit over het wel en wee van het bedrijf.

Advertenties

afb04

Op 30 juli 1910 plaatst het bestuur een advertentie in “De Geldermalser” om de lezers er op attent te maken dat er roomboter in voorraad is voor de verkoop.

In ‘De Geldermalser’ d.d. 14 maart 1914 lezen we een kleine, maar interessante advertentie:’Te koop een vertrouwde, veel melkgevende drachtige koe, waarvan melkstaat aan de Boterfabriek te Gellicum voorhanden. Adres “De Remketting”, Gellicum’.

Hieruit blijkt dat de fabriek een melkstaat bijhield van de koeien, waarvan de melk aan de fabriek werd geleverd. De eigenaar van dit rund was Hendrik van Gemert (*1862), landman en kastelein van het bekende café, die hier in het eerste huis van het dorp samenwoonde met zijn zus Aleida en zijn stiefbroeder Quirinus van Roden (*1857).

afb05

Concurrentie

De eerste tien jaren ging het de onderneming voor de wind. In ‘De Geldermalser’ van 18 mei 1907 lezen we: ‘Wegens uitbreiding der fabriek, door toetreding van leveranciers uit Rumpt, nog voorradig prima kwaliteit Roomboter, ook zeer geschikt om in te maken.’ De prijs van een halve kilo Gellicumse boter bedroeg in 1910 70 cent. De zaak floreerde en men was tevreden. De uitbreiding van het gebouw omvatte ongeveer 20 vierkante meter. In 1913 komt er echter een onaangename ommezwaai. Er gaat een melkboot varen door de Linge tussen Geldermalsen en Gorinchem. Die boot was eigendom van Van den Bergh uit Rotterdam, die later samenwerkte met Jurgens en tenslotte uitmondde in de nog bestaande Unilever. Van den Bergh Limited betaalde een hogere prijs voor de melk, nl. 6 cent per liter en haalde zoveel mogelijk melk op in alle Lingedorpen. In Gellicum werd de melk geladen bij de bol van Gijs van Dijk-het Boerenbondsgebouw aan de Lingedijk. De concurrentie was zwaar door de halve cent per liter die de Rotterdammer méér betaalde voor de melk. Een aantal roomboterfabrieken in de buurt legden het loodje. In april 1916 is de Gellicumse roomboterfabriek genoodzaakt om alleen ’s morgens tot half twaalf geopend te zijn. De oorzaak hiervan is, dat er steeds minder melk wordt aangevoerd en Van den Bergh meer melk ophaalt. Het komt zelfs zo ver, dat de leden in hun vergadering d.d. 8 april 1916 besluiten om de zoete melk gezamenlijk te verkopen aan Van den Bergh en er plannen zijn om hun eigen fabriek stop te zetten. ‘Een groot ongerief zal dit worden voor vele inwoners te Gellicum en omstreken, wat het koopen van boter, zoete en karnemelk betreft,’ schrijft ‘De Geldermalser.’

afb06

Twijfel: stoppen of doorgaan?

Een week later besluit het bestuur dat de roomboterfabriek zal blijven doorwerken en maakt dit bekend in de krant. De inwoners van Gellicum vernemen dit bericht met vreugde en voldoening. Maar in dezelfde week kan men lezen dat het vervoer van melk van de Lingedorpen naar Rotterdam zo sterk is toegenomen dat er  een tweede boot in de vaart is gebracht. Dat betekent dat steeds meer boeren de melk van hun koeien leveren aan Van den Bergh Limited.

Zo sukkelt de fabriek in Gellicum toch nog een jaartje voort tot het doek definitief valt. In een bijzondere ledenvergadering wordt besloten om per zaterdag 26 mei 1917 met de werkzaamheden te eindigen. Graag hadden ze in juli hun 21-jarig bestaan willen vieren, maar het had niet mogen lukken. Zware concurrentie en ook tweedracht in het dorp was de drijfveer dat de fabriek moest ophouden te bestaan. De laatste vier jaar had men te kampen met veel tegenspoed en men werkte elkaar tegen. Dankbaar waren de inwoners jegens degenen die hebben geprobeerd  om deze kleine tak van industrie draaiende te houden voor Gellicum, maar het lukte tenslotte niet. Het spreekwoord ‘Eendracht maakt macht, Tweedracht breekt kracht’ lag bij menigeen voor op de tong.

Omstreeks 13 juni 1917 kent Van den Bergh tegenslag wegens de tijdsomstandigheden van de Eerste Wereldoorlog. De onderneming moet het ontvangen van melk tijdelijk staken op de Boven-Linge. De melkboot ‘IJselmonde’ heeft het vervoer gestaakt en nu kunnen de melkleveranciers  weer zelf karnen. Nog geen week later is de melkboot weer in de vaart, maar dan wel eens per dag om melk op te halen.

Pogingen om de roomboterfabriek in Gellicum weer nieuw leven in te blazen worden er niet meer ondernomen en hebben tenslotte geen schijn van kans. Er vinden geen activiteiten meer plaats en het moet een triest gezicht zijn geweest om het gebouw werkloos te zien staan. Er zit niets anders op om het hele gedoe af te stoten. Het bestuur plaatst in ‘De Geldermalser’ van 1 juni 1918 een advertentie, waarin staat dat de voormalige boterfabriek met de bijbehorende grond publiek zal worden verkocht.

Verkoop inventaris en gebouw

afb07

De inzet in herberg ‘De Rosenboom’ komt aanvankelijk uit op f 600,-, geboden door Willem Lievaert, timmerman te Schoonrewoerd en wordt een week later verhoogd naar f 850,- . Op 25 juni 1918 vindt de definitieve verkoop plaats, inclusief de complete inventaris, die duidelijk omschreven in de krant komt te staan. Inmiddels is de coöperatie bij notaris P.M. Ingenegeren te Rumpt reeds op 23 mei 1917 officieel ontbonden en kan het voormalige bestuur – Jan C. Tucker, Gerrit van Iterson en Martinus H. de Waal – in hun kwaliteit van liquidateuren de zaken verder afwerken. De uiteindelijke koper wordt Jacobus J. Sprenger, koopman te Rotterdam, voor f 850,-, want niemand verhoogde dit eerdere bod. In de koopvoorwaarden staat o.a. nog te lezen dat de gehele inboedel binnen veertien dagen uit het gebouw moet zijn gehaald.

afb08

Afbraak

afb09

Het laatste teken van leven van de voormalige boterfabriek vinden we in ‘De Leerdammer’ van 11 december 1918 in een kleine advertentie, waarin de afbraak van het pand te koop wordt aangeboden; deze bestaat uit stenen, planken en ribben. De jonge en sterke overbuurman Theo Versteegh neemt voor een onbekend bedrag deze sloop voor zijn rekening. Het meeste materiaal van deze afbraak wordt hergebruikt voor het bouwen van een schuur achter herberg ‘De Rosenboom’, op de plaats waar voorheen de schietbaan van de vroegere handboogschutterij lag. Een reep natuursteen boven de achterdeur van deze schuur herinnert ons nog aan de Coöperatieve Roomboterfabriek Gellicum. Het perceel grond werd later doorverkocht aan Sies van Leeuwen, die inmiddels het belendende huis aan de Vlietskant 3 bewoonde.

Geraadpleegde bronnen:

  • Kranten ‘De Geldermalser’ en ‘De Leerdammer’
  • Notarieel archief van notaris C.J.H. van Kessel en P.M. Ingenegeren; standplaats Rumpt.
  • Bevolkingsregister van Gellicum; jaar 1900-1925

Met dank aan:

  • dhr. Martinus van Dijk
  • Henk Versteegh
  • Hans Pippel
  • mevr. Alie Verweij-Pippel, voor hun mondelinge informatie en foto’s.

De Linge

De Linge is de langste, geheel Nederlandse rivier, en stroomt 108 kilometer lang van Doornenburg tot Gorinchem. Grote delen van de Linge zijn niet begaanbaar voor gemotoriseerde schepen. Het stuk tussen Geldermalsen en Leerdam wordt gezien als het meest pittoreske deel; de fruitbomen maken de slingerende rivier nog mooier en er is weinig scheepvaart. Zowel op als rond het water is dit hierdoor het meest toeristische deel van de rivier. Vroeger stroomde er in het voorjaar vele liters water door de rivier, afkomstig uit Europese rivieren, waardoor het land langs de Linge regelmatig overstroomde. Het stuk tussen Zetten en Elst (Gelderland) is daarentegen weinig meer dan een kaarsrecht kanaal. Boven Zoelen is de Linge een ‘kunstmatige’ rivier, de inlaat bij Doornenburg (uit het Pannerdensch Kanaal) is gecontroleerd.

IMG_5634.JPG
Het landschap langs de Linge. Foto Martine Eerelman-Hanselman, 2012.

Deze tekst van de hand van Martine Eerelman-Hanselman en Arthur Eerelman-Hanselman verscheen eerder in de Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe. Een wandeling van Geldermalsen naar Leerdam. 1884-2012, jaargang 40, jubileumnummer 2012.

Militaire Willemsorde in Gellicum

In stukken van de Nationale Militie wordt hij omschreven als iemand met een lang aangezicht, blauwe ogen, kleine mond, klein voorhoofd, spitse neus, ronde kin, blond haar en blonde wenkbrauwen.

Willem van der Peijl, een stevige jonge vent, geboren op 26 september  1792 in Gellicum. Of hij daarvoor werd opgeroepen of vrijwillig dienst heeft genomen is niet bekend, maar in maart 1814 werd hij op 21-jarige leeftijd flankeur bij het vierde Bataljon Infanterie Nationale Militie.

Die flankeurs bij de infanterie bleken in meerdere opzichten een apart soort soldaten te zijn. Ze werden vaak vooruit gezonden in veldslagen om vijandelijke eenheden te ontregelen door hun officieren, tamboers en vaandeldragers uit te schakelen, waarbij ze gebruik maakten van het terrein om dekking te zoeken. Flankeurs hadden de taak om heel actief aanwezig te zijn, gericht te kunnen schieten en veel eigen initiatief te tonen. Deze eenheden waren zeer geliefd bij de jonge, enthousiaste en dappere, maar niet erg gedisciplineerde en vaak gebrekkig opgeleide vrijwilligers.

Flankeur in grote tenue, 1820-1825, A. Courtois, Schouten-Carpentier, Willem Frederik graaf van Bylandt, 1825 – 1827. Collectie Rijks Museum Amsterdam

Op het moment van zijn inlijving bij de flankeurs moet onze Willem geweten hebben, dat hij zou worden ingezet bij de strijd tegen Napoleon, maar dat hij op 18 juni 1815 actief onderdeel zou gaan uitmaken van de alles beslissende Slag bij Waterloo? Ach, waarschijnlijk had hij nog nooit van die plaats in de toen nog zuidelijke Nederlanden gehoord.

Het vierde Bataljon Infanterie behoorde tot de derde Nederlandse divisie onder aanvoering van generaal-majoor H.G. Baron Chassé. Het is bekend dat deze divisie een prominente rol in deze grote veldslag heeft gespeeld.

De Slag bij Waterloo, Jan Willem Pieneman, 1824 De hertog van Wellington krijgt hier het bericht dat de Pruisische troepen te hulp komen. In dit groepsportret van de hoofdrolspelers staat Wellington, bevelhebber van de Brits-Nederlandse troepen, centraal. Linksvoor ligt de Nederlandse kroonprins, de latere Willem II, gewond op een brancard. Het schilderij was aanvankelijk bedoeld voor Wellington. Maar toen Willem I het zag kocht hij het voor zijn zoon. Zo bleef het schilderij behouden voor Nederland. Ook baron Chassé is op dit schilderij afgebeeld. Collectie Rijks Museum Amsterdam
De Slag bij Waterloo, Jan Willem Pieneman, 1824
De hertog van Wellington krijgt hier het bericht dat de Pruisische troepen te hulp komen. In dit groepsportret van de hoofdrolspelers staat Wellington, bevelhebber van de Brits-Nederlandse troepen, centraal. Linksvoor ligt de Nederlandse kroonprins, de latere Willem II, gewond op een brancard. Ook baron Chassé is op dit schilderij afgebeeld. Collectie Rijks Museum Amsterdam

Kort voordat Napoleon bij Waterloo definitief werd verslagen, was het Koning Willem I die het besluit nam de Militaire Willemsorde in het leven te roepen. Deze orde werd niet naar hem persoonlijk vernoemd, maar naar zijn zoon, de Prins van Oranje, die zich in de Slag bij Waterloo bijzonder heldhaftig zou manifesteren. De Militaire Willemsorde zou uitgroeien tot de hoogst denkbare militaire onderscheiding.

Instelling van de Militaire Willemsorde en de Orde van de Nederlandsche Leeuw, 1815, anoniem, 1841 - 1843. Overzicht van de verschillende ordetekenen en linten van de Militaire Willemsorde en de Orde van de Nederlandsche Leeuw, ingesteld respectievelijk op 30 april en 29 september 1815. Collectie Rijks Museum Amsterdam
Instelling van de Militaire Willemsorde en de Orde van de Nederlandsche Leeuw, 1815, anoniem, 1841 – 1843. Overzicht van de verschillende ordetekenen en linten, ingesteld op 30 april en 29 september 1815. Collectie Rijks Museum Amsterdam

Vrijwel direct na Waterloo werden, bij Koninklijk Besluit van 11 augustus 1815, nummer 17, alle teruggekeerde dappere Nederlandse officieren en manschappen  onderscheiden welke ‘in de  bevrijding van het grondgebied der Nederlanden door beleid en moed tegen den algemenen vijand hebben uitgemunt’. Zij kregen de Militaire Willemsorde.  Willem van der Peijl was één van hen en ontving de Militaire Willemsorde 4e klasse. In de voordracht van de Lt. Kolonel van zijn bataljon staat ‘1815 In Zuid-Nederland en Frankrijk onder de orders van den Hertog van Wellington bijgewoond de Slag van Waterloo en zich daarin dapper gedragen’. In de jaren daarna werd niet meer zo gul met het uitdelen van deze onderscheiding omgesprongen, maar ook toen moet het bijzonder zijn geweest.

Voordracht Willem van der Peijl
Voordracht Willem van der Peijl.

Gellicumse Willem overleefde het oorlogsgeweld. Hij moet echter wel een verwonding hebben opgelopen. Als dank voor de geleverde diensten hadden de gewonde soldaten en nabestaanden van omgekomen kameraden  recht op een geldelijke beloning. In maart 1817 kreeg luitenant-generaal kwartiermeester De Constant Rebecque een uitnodiging van de Hertog van Wellington om naar naar Parijs te komen en daar met hem te overleggen over de verdeling van de zogenaamde prijsgelden voor het Nederlandse leger, als dank voor hun aandeel in de Slag bij Waterloo. Om alle strijders te kunnen geven waar ze recht op hadden verzamelde het Ministerie van Oorlog de staten van alle officieren en manschappen die in 1815 de Campagne hadden meegemaakt. De bijzonderheden werden in de Nederlandsche Staatscourant van 23 juli gepubliceerd.

Willem behoorde tot de groep korporaals, tamboers en soldaten aan wie een bedrag van 29 gulden werd toegekend. De uitbetaling vond aanvankelijk plaats op het kantoor van de betaalmeester van het Ministerie van Oorlog in Den Haag. Later werden de registers en de verdere afhandeling van de betalingen overgedragen aan het Fonds ter aanmoediging en ondersteuning van de Gewapende Dienst in de Nederlanden (kortweg Fonds 1815). In deze registers vinden we de uitbetaling aan Willem terug met de vermelding ‘Soldaat 2285’.

Voor die tijd was het voor een eenvoudige jongen uit Gellicum vast een heel mooi bedrag en ongetwijfeld heeft hij het goed kunnen gebruiken toen hij (van beroep dienstknecht)  op 15 augustus 1818 in de voormalige gemeente Deil ging trouwen met Klazina van Maren uit Rumpt. Het jonge stel vestigde zich in Rumpt en bleef daar maar liefst 58 jaar getrouwd tot haar overlijden in 1876. Niet lang daarna moet Willem weer teruggekeerd zijn naar zijn geboortegrond in Gellicum waar hij op 15 maart 1877 op 84-jarige leeftijd overleed.

Over de Slag bij Waterloop is enorm veel geschreven. Het is natuurlijk interessant te weten wat bij die Slag bij Waterloo nu precies de inbreng van Willems vierde Bataljon is geweest. Ik hoop dat deze zomer te gaan ontdekken wanneer ik een bezoek ga brengen aan het Kennis Informatie Centrum, onderdeel van het Nationaal Militair Museum in Soest. Het is wel zeker dat Willem van der Peijl niet persoonlijk Napoleon ons land heeft uitgeschopt, maar het zou wel leuk zijn geweest!

Het kasteel van Gellicum

Als historicus heb ik een grote voorliefde voor kastelen. Johan Huizinga (1872- 1945) , een voornaam Nederlands historicus, introduceerde ooit het begrip ‘historische sensatie’. Kort gezegd, dat gevoel dat als je op een historische plek staat en in gedachten direct terug wordt gevoerd naar die periode in de geschiedenis. In gedachten reis je terug in de tijd. Ik heb zo’n ‘sensatie’ vaak, maar zeker bij het bezoek aan een kasteel. Ik zie de ridders, jonkheren en -vrouwen direct voor me. Ik stap zonder problemen terug in de tijd en verbeeld mij de wereld van 700 jaar geleden.

Dat gevoel had ik ook toen ik recent in Wenen voor mijn werk op bezoek was in Museum Albertina. Een museum waar kunst van de grootste kunstenaars aller tijden is te vinden, van Dürer tot Picasso. Tussen die giganten was ook een tekening te vinden van ene Abraham de Haen (Amsterdam 1707 – 1748 Amsterdam). Een tekening met het kasteel van Gellicum als onderwerp. Ik reisde in gedachten een paar eeuwen terug en belandde in de tijd dat zo ongeveer ieder dorp in onze gemeente een  kasteel bezat, sommige dorpen zelfs meerdere. De tekening werd speciaal voor mij uit het depot gehaald en even later stond ik naar onderstaande tekening te kijken, als een kind zo blij.

Kasteel Gellicum_Albertina.jpg
Ansicht des Schlosses Gellicum, © Museum Albertina, Wenen, Oostenrijk

Bovenstaande bracht mij tot de gedachten dat het aardig zou zijn, op onze website een thema te starten waar meer is te lezen over die kastelen in onze gemeente. Gellicum is dan vanzelfsprekend het eerste deel van deze serie.

Het kasteel van Gellicum, ook wel Gellikum, Gellicom en Gellinchem genoemd, dateert van vóór 1326, want uit dat jaar is de oudst bekende vermelding, in het leenregister van Gelre. In een leenregister werden de beleningen van een leenheer aan zijn leenmannen vastgelegd; dit was het zogenoemde feodale stelsel. Dat kwam erop neer dat een leenheer land bezat en rechten en plichten op delen van die bezittingen doorgaf aan een vertrouweling, de leenman. Die leenmannen vervulden in ruil daarvoor vaak militaire en bestuurlijke taken voor de leenheer. Ander belangrijk punt was dat de leenman trouw zwoer aan de leenheer. De verkregen rechten konden bijvoorbeeld betrekking hebben op de opbrengsten van het land, het gebruik van een molen of het beheer van een kasteel. Het kasteel van Gellicum was zo’n leengoed, de leenman was in 1326 Gellies van Gellinchem. De Van Gellinchems stamden waarschijnlijk af van de Van Arkels, een roemrucht geslacht in onze regio.

RP-T-1888-A-1689_Het kasteel te Gellicum, Gelderland, Cornelis Pronk, 1731
Het kasteel te Gellicum, Gelderland, Cornelis Pronk, 1731 (collectie Rijks Museum)

Volgens de legende werd het geslacht Van Arkel gesticht door Jan van Arkel, die in 983 in Arkel huwde met Rooie Jannetje. Dit verhaal valt te betwijfelen. Wat we zeker weten is dat Herbaren II van der Lede, leenman van de heerlijkheid Ter Leede (vermoedelijk gelegen net ten zuiden van het hedendaagse Leerdam), zich rond 1234-1240 bij Arkel vestigde. Hij is waarschijnlijk de echte stamvader. De Heren van Arkel hebben lang over het gebied rond Gorinchem geheerst. De macht van de familie was bijzonder groot, zeker in de veertiende eeuw. In 1382 verleenden zij bijvoorbeeld aan Gorinchem, Hagestein en Leerdam stadsrechten. De Arkelse oorlogen, een ingewikkeld conflict (1401-1412), maakte een einde aan de macht. Wellicht was het Jan Herbaren III (1275 – 1324) of  Jan Herbaren IV van Arkel (-1360) die het kasteel in Gellicum stichtte. Maar zeker is dit niet.

De familie Van Gellinchem beheerde het kasteel tot 1444. Zij stelden het kasteel in 1356 als ‘open huis’ aan de hertog van Gelre. In tijd van oorlog mocht hij daardoor troepen legeren in het kasteel.

RP-P-OB-59.071_Gezicht op Gellicum, Hermanus Petrus Schouten, , 1762 - 1822.jpg
Gezicht op Gellicum, Hermanus Petrus Schouten, 1762 – 1822 (collectie Rijks Museum)

Gellicum en Rumpt vormden tot na de Middeleeuwen gezamenlijk één heerlijkheid.
Binnen die heerlijkheid was het kasteel van Gellicum te vinden, evenals drie adellijke huizen in Rumpt: Boutenstein, ten oosten van het dorp bij de gelijknamige sluis; De Leegpoel, ten westen van de kerk en ten slotte het buitendijks gelegen Huis of Hof te Rumpt. De kastelen en huizen en de heerlijkheid werden zelfstandig verleend. Tot 1481 vielen deze lenen over het geslacht (Van Arkel) van Heukelum en daarna onder Heukelum.

De familie Van Gellinchem beheerde het kasteel tot 1444. Johan van Waardenburg, afstammeling van de in het rivierengebied machtige geslacht De Cock, trouwde met Aleid van Heukelum. Zij erfde in 1475 Huis te Rumpt en in 1482 kocht Johan daar Kasteel Gellicum bij. Dit hele bezit (inclusief twee heerlijkheden) ging via Aleid’s halfbroer en haar broer Johan uiteindelijk in 1538 over op Derica (of Theodora) van Waardenburg. Haar oudste zoon, Otto van Scherpenzeel, had al sinds 1514 het Huis te Rumpt in leen gekregen.

RP-P-1904-4006_Gezicht op het kasteel te Gellicum, Caspar Jacobsz. Philips, 1752 - 1789.jpg
Gezicht op het kasteel te Gellicum, Caspar Jacobsz. Philips, 1752 – 1789 (collecte Rijks Museum)

Deze Otto van Scherpenzeel zou om het leven komen in een poging het kasteel van Gellicum te bescherming tegen verovering. In oktober 1527 trokken vanuit het sticht Utrecht, dat onder controle stond van de Utrechtse bisschop Hendrik van Beieren, twee bisschoppelijke krijgsbenden vanuit Wijk bij Duursteden plunderend door Gelderland. Zij trokken ook naar Gellicum, dat door Karel van Gelre inmiddels was versterkt om het hoofd te kunnen bieden aan de aanvallers. Ook werden vanuit de Bommelerwaard extra troepen naar Gellicum gestuurd. Voorkomen moest worden dat de plunderaars tot de Burcht te Rhenoy konden oprukken. Deze grensvesting was in bezit van Karel zelf.

Vanuit kasteel Gellicum werd een tegenaanval georganiseerd, gericht op de achterhoede van de Stichtenaren. Met succes, een deel van de buit kon worden terugveroverd. De Gelderse troepen misdroegen zich echter en verminkten de lichamen van de overleden Stichtse troepen en hingen – ter afschikking – de lichamen op aan muren en torenspitsen. De rest van de Stichtse troepen keerde daarop terug naar Gellicum, veroverden het dorp en  vermoordden iedereen die ze tegen het lijf liepen. Daarna was het kasteel aan de beurt. Na een hevige strijd, werd het kasteel met behulp van ladders en andere werken ingenomen. Ook de verdedigers van het kasteel werden zonder genade om het leven gebracht. Onder hen was ook Otto van Scherpenzeel; hij was gedood door een schot met een handbus, een vroeg soort handvuurwapen. Voor hem werd later een gedachteniskruis geplaatst, nabij het kasteel van Rumpt. Het kasteel is verdwenen, maar het kruis is er nog en toont de volgende tekst:

Int Iaer MVcXXVII Op Sunte Severynsdach
Op’t te Rempt Blef
Doot Ot van Scerpezeel – Lefft XXVI

Byt Voer Dye Zyel Om Gods Wyl.

Ofwel:

In het jaar 1527 op Sint Sverijnsdag (= 23 oktober)
Op het Rumpt bleef
Dood Otto van Scherpenzeel – leefde 26 jaar

Bid voor zijn ziel om Gods wil.

De Burcht te Rhenoy en haar verdedigers wachtte daarna hetzelfde lot, waarna de Stichtse troepen zich terugtrokken uit het gebied. Volgens de overlevering zou Otto van Scherpenzeel begraven zijn in de kerk van Gellicum.

2008-OttovanScherpenzeel-speelfilm-1200px
Over Otto van Scherpenzeel werd zelfs een korte speelfilm gemaakt, zo is te lezen in deze folder (collectie: Paul van Mook).

Derica van Waardenburg, de moeder van Otto van Scherpenzeel, had dus in 1538 kasteel Gellicum, Huis te Rumpt en de twee heerlijkheden in bezit gekregen. Zij droeg in 1550 het geheel over aan haar tweede zoon, Thomas van Scherpenzeel. Twee jaar daarvoor had hij met geweld het kasteel moeten verdedigen tegen een aanval van Joost Pieck van Asperen; hij meende aanspraak te kunnen maken op het bezit.

Het bezit van de heerlijkheid en het kasteel Gellicum werd door Thomas niet lang gekoesterd, hij deed ze in 1553 alweer van de hand. Dit waarschijnlijk om verbouwing van Huis te Rumpt te kunnen financieren. Waarschijnlijk liet Thomas ook het gedachteniskruis maken in Rumpt, ter herdenking aan zijn broer. Het kasteel kwam toen in handen van Johanna Scheiffart van Merode (1343-?).

In 1620 kwam kasteel Gellicum in bezit van de familie Tengnagell. In 1626 kreeg Alexander Tengnagell het kasteel in leen. Hij was ook degene die het rechthuis tegen de kerktoren in Gellicum liet bouwen. Het is nog steeds te vinden boven de ingang.

1985-11-Wapen-VanTengnagel-VanBoetzelaer_Gellicum_Paul van Mook
Alliantiewapen van Alexander Tengnagell en zijn vrouw Geertruid van den Boetzelaer (foto: Paul van Mook).

Rond 1750 is het kasteel verbouwd, maar zoals bovenstaande prenten van Hermans Petrus Schouten en Caspar Jacobsz. Philips laten zien, behield het kasteel zijn robuste uitstraling. Wel zijn er meer en grotere ramen te zien. De Tengnagells verhuurden het kasteel aan het einde van de achttiende eeuw. Helaas kwamen het kasteel en de bijgebouwen in die tijd in verval. In 1800 werden het kasteel en de bijhorende grond geveild, waarschijnlijk als gevolg van financiële problemen van de eigenaar. De grond kwam in bezit van verschillende eigenaren en het kasteel werd uiteindelijk in 1802 gesloopt. Alle glorie was verloren; niets in het landschap herinnert nog aan dit kasteel. Later, in 1898, werd op de plek waar het kasteel had gestaan, de rooms-katholieke pastorie gebouwd.

Hoewel, is alle glorie verloren? Nee, toch niet helemaal, want in vooraanstaande musea, als het Rijksmuseum (zie ook het Thema In het Rijksmuseum) en Museum Albertina bezitten nog schitterende prenten van het kasteel. Voldoende voor een fijne historische sensatie.

1935-RKPastorie+veranda_Gellicum_Paul van Mook
De rooms-katholieke pastorie in Gellicum, op de plek waar ooit het kasteel stond, zoals deze eruit zag in 1935 (collectie: Paul van Mook).

Bronnen

  • Kastelen in Gelderland, eindredactie Jan Vredenberg, 2013.
  • J.D.H. Harten, ‘Waarheden en onwaarheden rond het gedachteniskruis te rumpt’, in: Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe. 28e jaargang, nummer 1, 2000.
  • De Gecombineerde, ‘Bidden voor de ziel van Otto Scherpenzeel’, 8 februari 1989.
  • Museumcollectie Albertina, Wenen, Oostenrijk
  • Museumcollectie Rijks Museum, Amsterdam

Geschreven door Arthur Eerelman-Hanselman
Met dank aan Paul van Mook

 

Gellicum in het Rijksmuseum

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een schitterende collectie. In de collectie staat de Nederlandse kunst en geschiedenis centraal en werken van een aantal van de grootste kunstenaars van de wereld zijn er te zien. Maar ook werken over of uit de dorpen in de gemeente Geldermalsen zijn er te vinden! In een serie van een aantal artikelen gaan we op zoek naar hetgeen er is te vinden per dorp (helaas was er voor Buurmalsen, Meteren en Rhenoy niets te vinden). In dit artikel staat Gellicum centraal.

Drie prenten, een porseleinen bord en een foto betreffende Gellicum zijn te vinden in de collectie. De foto, Bloeiende boomgaarden, André-Pierre Lamoth, 1988 – 1990, is auteursrechtelijk beschermd en mag hier dus niet worden opgenomen.

Het eerste is een porseleinen bord uit de Yongzheng-periode (1723-1735) met het wapen van de familie Van Gellicum, maker onbekend. Het bord is gemaakt in de periode tussen 1720 en 1730. Het bord, beschilderd in onderglazuur blauw en rood en goud op het glazuur, heeft in het centrum het wapen van de familie Van Gellicum en is omgeven door een rankenband. Op de rand staan blauwe wolkmotieven met kleine bloeiende planten en hoekige hekken.

AK-NM-13413_Bord met het wapen van de familie Van gellicum, anoniem, , 1720 - 1730.jpg
Bord met het wapen van de familie Van Gellicum, anoniem, 1720 – 1730

Klik hier voor meer informatie.

Het kasteel te Gellicum is in 1731 getekend door Cornelis Pronk (1691-1759). De tekening is in pen in grijs met een ondertekening in potlood. Op de tekening staat geschreven: ‘Gellikum’ en op de achterzijde ‘(Tielerwaard) / gesloopt 1802’.

RP-T-1888-A-1689_Het kasteel te Gellicum, Gelderland, Cornelis Pronk, 1731.jpg
Het kasteel te Gellicum, Gelderland, Cornelis Pronk, 1731

Klik hier voor meer informatie.

Onderwerp van de volgende ets is eveneens het kasteel te Gellicum (of ‘Gellikum’ zoals staat geschreven op de prent) en is gemaakt door Caspar Jacobsz. Philips en stamt uit de periode 1752-1789.

RP-P-1904-4006_Gezicht op het kasteel te Gellicum, Caspar Jacobsz. Philips, 1752 - 1789.jpg
Gezicht op het kasteel te Gellicum, Caspar Jacobsz. Philips, 1752 – 1789

Klik hier voor meer informatie.

Hermanus Petrus Schouten (1747-1822) maakte eveneens een ets, uit de periode 1762-1822, met zicht op Gellicum. Op de voorgrond het kasteel, op de achtergrond het dorp.

RP-P-OB-59.071_Gezicht op Gellicum, Hermanus Petrus Schouten, , 1762 - 1822.jpg
Gezicht op Gellicum, Hermanus Petrus Schouten, 1762 – 1822

Klik hier voor meer informatie.

Zie ook:

 

Brand in Gellicum, 1928

Door Arthur Eerelman-Hanselman

Het was een mooie lentedag, donderdag 3 mei 1928. Er woei weliswaar een stevige wind uit het oosten, maar de zon scheen, er viel geen druppel regen en het was tussen de 18 en 20 graden Celsius. De rust in het kleine dorp zou die middag op dramatische wijze worden verstoord toen een grote brand de Nederlands Hervormde Kerk en tien woningen in as legden. In een van de huizen was het hulppostkantoor gevestigd geweest en ook ‘het bondsgebouw van den Boerenbond met opslagplaats van graan en veevoeder’ werd volledig verwoest.

Brand in 1928

De Telegraaf beschreef de brand op haast poëtische wijze in een artikel op de voorpagina: ‘Gellicum, het 12 K.M. van Geldermalsen verwijderde Neder-betuwsche dorpje, dat zoo schilderachtig ligt aangetooverd tegen de snelvlietende en rusteloos voortkabbelende Linge, is gisteren voor één derde gedeelte verwoest door een brand, die met den besten wil niet te stuiten noch te keeren was.’

Afb1_Coll. Van Mook_Brand Gellicum
Foto uit De Prins van 12 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

Veel andere Nederlandse kranten namen een bericht van een correspondent over, waarin stond geschreven dat de brand rond half twee begon. Een aantal kranten noemden echter drie uur als starttijdstip; sommigen noemde beide tijdstippen in één artikel. De correspondent meldde verder dat de brand was begonnen in de woning van de heer G. de Waal, ‘den houder van het hulppostkantoor te Gellicum’. ‘Het vuur greep snel om zich heen en toen het eenmaal naar buiten uitsloeg, werd het door den fellen Oostenwind met kracht aangewakkerd.’ Al snel stond de volledige woning, ‘een boerenbehuizing’, met in het voorgedeelte het hulppostkantoor, ‘in lichterlaaie’.

De Telegraaf, die een eigen journalist naar het dorp stuurde en een uitgebreid artikel plaatste, noemde een andere oorzaak en plaats van aanvang van de brand. Hij schreef dat het onheil ontstond door broei in de naastgelegen schuur. Het lijkt echter niet aannemelijk dat dit daadwerkelijk de oorzaak van de brand was. Broei ontstaat doorgaans in hooi dat kort geleden is geoogst en nog vochtig is en de oogst van hooi vindt na mei plaats, vanaf midden juni.

Hoe dan ook, de schuur stond al snel volledig in brand. ‘Een paar wagens, die daar stonden, evenals een fiets en eenige kleine landbouwwerktuigen gaven gretig voedsel voedsel aan de wild om zich heen grijpende vlammen.’ ‘Een knaap’ beklom de kerktoren en luidde de klok om de mensen te waarschuwen. Hij blesseerde zich daarbij, doordat zijn been beklemd raakte tussen de muur en de klok.

De bewoners, grotendeels aan het werk op het land, spoedden zich naar het dorp en begonnen de brand te blussen. De burgemeester van Deil mr. Willem Marinus (Tim) Kolff (1882-1944) werd gewaarschuwd en hij riep – uit angst voor snelle uitbreiding van de brand – de hulp in van de omliggende gemeenten, Leerdam, Beesd, Rumpt, Rhenoy en Buren. De aanrijdtijden waren echter lang en ‘de wind hielp zijn roode makker zoo trouw, dat in weinige oogenblikken een tiental boerenwoningen’ en de kerk met de grond gelijk werden gemaakt’.

Het vuur sloeg als eerste over naar de naastgelegen woning van de heer Keizer. ‘Fel woedde het vuur en het scheen niet te stuiten.’ De Nederlands Hervormde Kerk, gelegen naast de woning van De Keizer, vatte eveneens vlam. Nu was het hek helemaal van de dam: ‘Met nog grooter snelheid breidde de brand zich uit, door het wegvliegen der vonken en brandende stukken riet van de daken.’ Het vuur sloeg verder om zich heen en nog enige woningen aan weerszijde van de kerk en vijf woningen aan de overzijde van de weg vielen ten prooi aan het vuur. Dit alles nog voordat de brandweer was gearriveerd.

Als eerste arriveerde de brandweer van Leerdam met drie motorspuiten en de brandweer van Beesd met één brandspuit. Tijdens het blussen stortte een gedeelte van de kerk ‘met donderend geraas in’, ‘ondanks alle pogingen om haar te behouden’. De brandweer kreeg de brand daarna redelijk snel onder controle: ‘Eerst tegen zes uur in den avond was het vuur bedwongen en gevaar voor uitbreiding geweken’. ‘De brandweer uit Geldermalsen en Buren behoefden niet meer handelend op te treden.’ Burgemeester Kolff was vol lof over de inzet van de brandweer: ‘Van motorspuitgast tot de lagere helpers, de ridders van de handspuit allen, hebben tot het uiterste hun best gedaan.’ Behalve de brandweerkorpsen en Kolff en de burgemeesters van omliggende gemeentes de gehele middag aanwezig in het dorp.

Gelukkig was er alleen sprake van materiële schade; ‘persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. Evenmin is er vee bij den brand omgekomen.’ Maar ‘de schade, die de enorme brand heeft veroorzaakt, is zeer groot.’ De Telegraaf meldde echter dat er ook enige schapen en kippen om het leven waren gekomen.

Afb2_Coll. Van Mook_Brand Gellicum
De verwoeste kerk en boerderij van De Keijzer op een foto die in een aantal kranten is terug te vinden, bijvoorbeeld in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 8 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

De verwoeste kerk en boerderij van De Keijzer op een foto die in een aantal kranten is terug te vinden, bijvoorbeeld in Nieuwe Tilburgsche Courant van 8 mei 1928 (uit de collectie van Paul van Mook).

Zoals gezegd, waren de Nederlands Hervormde Kerk en de woning met hulppostkantoor van de heer De Waal en de woning van de heer De Keizer verwoest, maar ook ‘de huizen bewoond door de families Van Dijk, Struiken, De Waal, De Zeeuw, Van Dijk en het bondsgebouw van den Boerenbond met opslagplaats van graan en veevoeder ’ waren ten prooi gevallen aan het vuur. De inboedels waren vrijwel volledig verdwenen en ook de schuren en de daarin opgeslagen voorraden waren verloren gegaan. ‘Van de kerk en de tien afgebrande huizen zijn niet veel meer dan de ruïnen overgebleven.’ ‘De bewoners der afgebrande huizen zijn tijdelijk bij andere dorpsbewoners ondergebracht.’

De brand was groot nieuws en werd door kranten in het hele land beschreven. De Telegraaf beschreef de schade de volgende dag als volgt: ‘Het plaatsje, welke huizen gebouwd zijn aan beide kanten van den hoogen, maar uiterst smallen dijk, die de bewoners tegen den onstuimigen en wispelturigen aard van het kleine riviertje beschermt, ziet er momenteel uit als had het blootgestaan aan een ernstige bekogeling van schrapnells en brisantgranaten. Toen wij hedenmorgen bij het krieken van den dag den toestand in oogenschouw gingen nemen, hing over den omtrek een vale, grijze mist, die in hevigheid toenam, naarmate wij het tooneel van het onheil naderden.’

De ‘heerlijke omgeving met haar bloeiende vruchtboomen’ werden in een ‘verpestenden stank’ gehuld. De schade was haast niet te overzien, ‘eenige brokken muur met daartussen een warwinkel van geblakerde en verkoolde huishoudelijke artikelen, verbrijzelde pannen en kleedingstukken’, waren te vinden waar eerder de woning met postkantoor te vinden waren. De heer De Waal was in de ruïnes aan het zoeken naar geld; het eigen spaargeld en het geld dat ter plekke in beheer was geweest. Er werd enig succes geboekt, een verkoolde portefeuille met bankpapieren werd gevonden. De hoop was dat de nummers nog te lezen zouden zijn en dat de papieren nog enige waarde zouden hebben. Op de achtergrond weet een grote hond ondertussen een gerookt hammetje te vinden en verorberen.

De journalist van een persbureau wist te melden dat voor zover bekend alles was verzekerd. Burgemeester Kolff plaatste dat echter tegenover De Telegraaf in perspectief: ‘De meeste boeren zij zeer laag verzekerd, zoodat deze menschen gevoelig getroffen zijn. Voeg daarbij, dat de laatste jaren allesbehalve rooskleurig is geweest, dan kan, […] zonder overdrijving gezegd worden, dat het kleine Gellicum door een ramp is geteisterd.’

 

Brand in 1883

Een dergelijke grote brand in zo’n klein dorp is natuurlijk uitzonderlijk. Opmerkelijk genoeg was er ook al eerder, op maandag 23 mei 1883, een soortgelijke brand geweest en dan ook nog eens deels in dezelfde woningen. Vijf woningen werden toen volledig in as gelegd, waardoor zes gezinnen hun woning verloren. De inboedel van de huizen ging ook toen volledig verloren. In de Middelburgsche Courant van 24 mei 1883 stond te lezen: ‘Twee menschenlevens zijn te betreuren, een derde persoon kreeg zeer gevaarlijke brandwonden; men vreest voor zijn leven. In de vlammen kwamen nog om een kalf en een zeug met elf biggen.’ Over de oorzaak was niets bekend.

De kranten maakten ook in 1928 melding van het opvallende feit dat Gellicum eerder een soortgelijke brand had gekend: ‘Opmerkenswaardig is, dat in 1883 in dezelfde huizen een dergelijk zware brand gewoed heeft, waarbij drie menschenlevens te betreuren waren.’ Helaas was dus ook het zwaargewonde slachtoffer overleden als gevolg van de brand.

 

Bronnen, onder andere:

weerverleden.nl – KNMI
Middelburgsche Courant, 24 mei 1883
Algemeen Handelsblad, 4 mei 1928
Nieuwsblad van het Noorden, 4 mei 1928
De Telegraaf, 4 mei 1928
Limburgsch Dagblad, 5 mei 1928

Dit artikel verscheen ook in Nieuwsblad Geldermalsen,
dd. 30 januari 2016.

Over de auteur: Arthur Eerelman-Hanselman

Arthur, geboren op 5 oktober 1971 te Rotterdam, woont met zijn gezin in Geldermalsen. Na woonachtig te zijn geweest in Rotterdam, Utrecht, Capelle aan den IJssel en Gouda, woont hij nu met zijn gezin (vrouw, twee dochters en twee katten) naar volle tevredenheid in Geldermalsen.

Arthur studeerde geschiedenis (Internationale Betrekkingen – Oorlogs- en vredesproblematiek) aan de Universiteit van Utrecht. Hij werkte daarna voor Telecom Teleservices, Dienst Justiële Inrichtingen – ICTS, Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Erfgoed Brabant en nu voor Cit, een bedrijf gespecialiseerd in het (digitaal) beheren en presenteren van kunst- en erfgoed collectie(s).

Louis van Oort en Martine Eerelman-Hanselman en Arthur zijn gezamenlijk de initiatiefnemers van de website GeschiedenisGeldermalsen.nl.

Arthur is ook actief binnen de Historische Kring West-Betuwe en Comité 4 en 5 mei Geldermalsen.

Kerk en rechthuis

Als je in Gellicum heel even de Lingedijk verlaat, en de Kerkweg ingaat, vind je op nummer 5 een bijzonder gebouw. Dit is de Onze Lieve Vrouw Maria Geboorte kerk. Waarschijnlijk stond er in de dertiende eeuw een eenvoudig bakstenen kerkje in Gellicum. In 1261 werd het nog beschouwd als een kapel van de kerk te Beesd. De pastoors van die parochie behoorden tot het klooster Marienwaerd. Een eeuw later werd het schip van de kerk gesloopt en vervangen door een grotere eenbeukige kerk. In 1470 werd de kerk aan de noordkant uitgebreid met een zijbeuk en werd er een nieuw koor gebouwd. In 1520 kwam er een sacristie.

Gellicum,_kerk
Foto: Kerk te Gellicum | Door: Petervanmeurs (wiki) | Licentie: CC-BY-SA

In 1581 raakte de rooms-katholieke gemeenschap de kerk kwijt en kerkt de kleine hervormde gemeenschap er. In 1803 komt de kerk weer terug in katholieke handen. Door de Franse revolutie heeft er een gelijkberechtiging van godsdiensten plaatsgevonden. Een van de bepalingen is dat de kerk toekomt aan de grootste geloofsgemeenschap. Aangezien er in dat jaar 80 hervormden en 138 katholieken in Gellicum wonen, komt de kerk weer in handen van de katholieke gemeenschap. De hervormden bouwen een klein kerkje aan de Lingedijk.

Tegen de westgevel van de kerk is in 1636 een rechthuis gebouwd. Dit was het rechthuis van het schoutambt Gellicum. Dit gebouw doet tegenwoordig dienst als trouwlocatie van de gemeente Geldermalsen.

Gellicum_kerk2
Foto: Kerk te Gellicum | Door: Petervanmeurs – 21 September 2010 (upload date) | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

De kerk is rond 1860 ommetseld. Deze muur sluit in het westen aan tegen het rechthuis en in het oosten tegen de kosterswoning en omsluit het kerkhof. De kerkmuur omsluit de terp waarop het kerkgebouw, de toren, het rechthuis en de kosterswoning zijn gelegen.

De vrij geïsoleerde ligging van Gellicum veranderde in 1965 als er een brug over de Linge wordt geslagen voor de grote weg van Leerdam naar Geldermalsen. Daarmee kwam het dorp Rhenoy, dat tot dan toe alleen met een veer was te bereiken, een heel stuk dichterbij. Omdat zowel de parochiegemeenschap van Gellicum als die van Rhenoy erg klein is, fuseerden beiden in 1968 tot de parochie Onze Lieve Vrouw.

06_Gellicum_onb_RK kerk en regthus_RT.jpg
De kerk en het Rechthuis op een ansichtkaart, jaar onbekend. Verzameling Rochus Timmer.

In 1980 wordt de hele kerk grondig gerestaureerd en in 2008 is de toren gerestaureerd. Bijzonder is dat dit een van de weinige middeleeuwse kerken boven de grote rivieren is die in rooms katholieke handen .

Het rechthuis, de kerk, de toren en de kerkhofmuur zijn allen rijksmomumenten.

Voor deze tekst is gebruikt gemaakt van de informatie op: http://www.suitbertusparochie.nl
Tekst geschreven door Arthur en Martine Eerelman-Hanselman voor het jubileumboekje voor de Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe, 2012.